fer.stutterheim.nl

© 1942-1945 Erven D.F. Stutterheim

stutterheim.nl


foto D.F. Stutterheim
D.F. Stutterheim

Ondergetekende is van de lichting 1912 en diende in eind 1912 en begin 1913 als zeemilicien bij de Marine mijnendienst. Ik had reserve-officier kunnen worden, want ik had mijn 3e rang al en reeds als 3e officier gevaren maar daar die goeie oude tijd in het teken der pacifistische ideeën stond en je als jonge man nog vol wereldidealen was beschouwde je het zich vrijwillig verbinden aan een oorlogsinstrument eigenlijk als iets minderwaardigs. De 8 maanden die je als staatsburger gedwongen was bij het leger of vloot te dienen, ja die moest je wel nemen, al was het dan ook met tegenzin.

In maart 1913 zwaaide ik na mijn 8 maanden dienst af en verwisselde de matrozenmuts, de welbekende band met 16 letters "Koninklijke Marine" (de ij precies in het midden van de muts want anders stond je op de bon), weer met de blauw lakense pet met gouden kroon en het embleem der R.L. (Rotterdamsche Lloyd). Een paar gewone Indische reizen, twee van 4 maanden met een vrachtboot en twee van 3 maanden met een passagiersschip, de Wilis, brachten ons in de funeste maand juli van het jaar 1914.

Eind juli van dat jaar passeerden we met de goede ouwe Malang (nu al jarenlang rustende in het grote schepenkerkhof) het Suez-kanaal op weg naar huis. In Port Said waar we de laatste couranten en extra telegramedities kregen, zagen we dat de politieke hemel zich volgepakt had met zware oorlogswolken en de moord in Sarajevo waarschijnlijk het voorspel van een wereldramp was, waarvan de verschrikking niemand zich tot nu toe nog kon realiseren. We waren in die tijd nog niet uitgerust met D.T. [Draadloze Telegrafie] dus de eerstvolgende berichten konden we pas in onze volgende aanloophaven Marseille ontvangen.

Dat het mis was kregen we al in de gaten in Straat van Bonifacio (tussen Corsica en Sardinië). Toen we die in de nacht passeerden, gingen plotseling aan de Fransche kant van de straat, dus Corsica alle kustlichten uit. Dat was zeer verdacht en we vreesden al dat de bom gebarsten was. En inderdaad toen we voor Château d'If op de reede van Marseille de loods overnamen hoorden we het. Ik kan me die loods nog duidelijk voor de geest halen, een klein levendig Fransch mannetje met zo'n keurige in 2 punten uitlopende baard. Hij kwam heftig gesticulerend de brug op gehold en schreeuwde luid:

‘Ah, monsieur le capitaine! Tout l'Europe est en guerre!! Tout l'Europe est en guerre!!’

En toen de kapitein hem angstig vroeg:

‘Et la Hollande?’

‘Oui, oui, la Hollande et la Belgique aussi!’

We kregen een vreselijk verward verhaal te horen dat de Duitsers België en Holland binnen gevallen. De brave man was geheel te goeder trouw, want later kregen we zelfs een Fransche courant in handen, die ik als curiositeit nog jarenlang heb bewaard, die hetzelfde vermelde en zelfs dat er een grote veldslag aan de gang was in de omstreken van Tilburg. De stemming aan boord was dus beneden peil en we zagen rond ons de laatste mobilisatie maatregelen en zelfs al het eerste transportschip met Tirailleurs africains uit Algiers binnenkomen.

Aan lossen was geen denken en we werden voorlopig in een uithoek van de haven neergelegd om de ontwikkeling der gebeurtenissen af te wachten. De Kapitein spoedde zich naar het Nederlandsche consulaat en kwam weldra met de gerustellende mededeling terug dat ons landje nog gespaard was, maar dat het consulaat de toestand toch duister inzag, verder vertelde hij dat heel Marseille een grote ziedende heksen ketel was van militairen die hier op hun mobilisatie standplaats werden samengetrokken. Hij gaf dan ook niemand verlof om aan wal te gaan, daar het helemaal niet ondenkbaar was dat een niet Franschman gemolesteerd zou worden of voor spion zou worden aangezien. Dit was voor ons jongelui een streep door de rekening, dat we na al die eentonige zeedagen een zo'n opwindend evenement zouden missen!

De 3e officier en zijn dikke sobat de 3e machinist besloten dan ook, als de kans schoon was er gebruik van te maken en stiekem toch een kijkje te gaan nemen. 's Avonds om 8 uur stonden ze al te loeren of de stuurman nog niet naar zijn kooi ging en ja hoor om 9 uur knipte die zijn licht uit. Gauw je pet afgegooid en je bolhoedje (die toen in de mode waren) opgezet een demi-saison over je uniform en op de tenen een valreep af. Foei dat was een lange mars door de uitgestrekte haventerreinen en het duurde wel een uur voor we in de stad waren. Bij den uitgang van het haventerrein papten we aan met twee Fransche douaniers die net afgelost waren en de stad ingingen en met zijn vieren, wij ons beste school-Fransch brabbelend sloften we de stad in. Daar was het met recht een heksenketel, Rue de Cannebière en het gehele centrum vol met soldaten, sommige nog half in civiel, sommige gewapend en sommige ongewapend. Heel veel curassiers met blinkende helmen en lange ruitersabels, niet minder zouaven en kleurige uniformen en wijde pofbroeken en infanteristen drommen vele met ouderwetse rode broeken nog aan. Praktisch al die verdedigers van "La Belle France" verkeerden in een hoog geagiteerde toestand en de meesten in een toestand van gehele of halve dronkenschap. De Marseillaise en het "à Berlin" waren niet van de lucht en evenmin de vechtpartijen, die men op haast iedere straathoek kon genieten. Rake klappen werden er met die lange ruitersabels uitgedeeld en de politie die haar onmacht in deze bende wel inzag stelde zich maar tevreden met de gewonden weg te piekelen.

De douaniers namen ons mede naar hun stamcafé, waar het al even grote rotzooi was als op straat, maar ze wisten toch hun stamtafeltje te bemachtigen. De consumpties waren overvloedig, want een ieder voelde zich gedrongen een ander te trakteren en te drinken op een goede afloop en het succes van de "wandeling naar Berlijn". Arme bliksems heb ik later dikwijls gedacht, hoe veel van jullie liggen voorgoed in het slijk der loopgraven, in één of ander massagraf of hebben het restje van jullie leven verminkt moeten voortslepen. Daar dacht toen niemand aan; het enthousiasme vierde hoogtij en de wijn niet minder.

Na enige uren was er niemand in het restaurant meer bij zijn positieven en het laatste dat ik me er van kan herinneren is dat er een wilde rondedans werd uitgevoerd rond een soort vrijheidsboom die bestond uit drie lange sleepkabels aan elkaar geprikt waar bovenop..... mijn kostelijke en dierbare dop prijkte. Het was in die tussentijd al over tweeën geworden en daar we nog minstens een uur moesten tippelen besloten we het bachanaal te verlaten. Onze douaniers waarmede we ons gedurende het feest zo verbroederd hadden dat we elkaar eeuwige vriendschap hadden bezworen (ofschoon we van elkaar niet voor 1/4 gedeelte snapten) lieten hun amis eternels niet alleen gaan. Ze zouden ons veilig naar boord brengen en zo kwamen we inderdaad weer met zijn vieren echter minus mijn dop bij de ouwe Malang aan. Na achter een loods, ter ere van onze eeuwige vrienden, nog een gedempte Marseillaise aangeheven te hebben, die gelukkig niemand aan boord wakker maakte, maar een paar straathonden tot hysterie deed vervallen, namen we afscheid met de heilige belofte elkaar nooit meer te vergeten en morgen elkaar weer te ontmoeten. Ik moet ze nog weerzien, maar misschien denkt één Franschman in een Duitsch interneringskamp nog wel eens terug aan die wilde avond in Marseille met die twee "Hollandais foux".

Na op onze tenen, zo zacht mogelijk de valreep op geslopen te zijn, lagen de twee uitbrekers spoedig in hun kooi, om de volgende morgen wakker te worden met een kop die op barsten stond en een maag waarmede (door al die zure Franse wijn ) in geen drie dagen land te bezeilen was.

Twee dagen later was er weer zoveel orde in de chaos in de haven geschapen dat we onze lading kwijt konden om onze reis naar Holland verder te volgen. Tot Gibraltar geen bijzonders; de scheepvaart leek normaal en het was op zee alsof er niets gaande was. In de Straat van Gibraltar werden we aangehouden door een torpedoboot die onze papieren onderzocht en ons verder zonder orders of raadgevingen liet doorstomen. We volgden de gewone route langs de kust van Spanje en Portugal en kwamen met een mooi kalm weertje in den Golf van Biskaje. Ik had de 1e wacht als 3e [stuurman], van 8-12 's avonds een zeetje als een spiegel, zwaar bedekte lucht, geen maan en stik donker. Het was zo een uur of tien en ik hing op mijn gemak, met een pijpje tabak over de railing naar huis te denken wat er in Holland zich zou afspelen toen plotseling Flits! ik in het zonnetje van een groot zoeklicht stond en even daarna de vuurstraal van een kanon en een oorverdovende knal. Mijn pijp viel uit mijn mond en mijn pet van mijn hoofd en ik stond een ogenblik als versteend voor ik bij mijn positieven was om de telegraaf op stop te gooien. Daar kwam al uit het duister het lichtsignaal per morselamp - Stop immediately - gevolgd door "What ship is that". En ja daar zag ik in de weerschijn van het zoeklicht de zwarte sombere omtrekken van een grote Fransche kruiser die volle kracht op ons toe kwam stormen. Na onze naam, nationaliteit en bestemming geseind te hebben flitste hij weer "We'll board and search you". Na een 20 minuten verscheen dan ook uit de pikzwarte duisternis een grote marine sloep geroeid door een 12tal Fransche matrozen met hun blauwe baret met rode pompoen. Een Fransche officier gevolgd door een 6tal met karabijnen gewapende mariniers sprongen aan boord en kwamen het schip doorzoeken. Na inzage van de scheepspapieren en het journaal afgetekend te hebben waren ze weldra tevreden gesteld en kregen we verlof om door te varen, terwijl de kruiser ons met zijn morselamp een "Bonne Voyage" achterna zond. Het ging toen nog gemoedelijk toe.

Dat was weer achter de rug en daar het ondertussen al 12 uur was geworden en de 1e en de 4e officier me kwamen aflossen, lag ik spoedig in mijn kooi nog een beetje shaky in mijn benen door de schrik die dat zoeklicht en plotselinge kanonschot me bezorgd hadden. In het Engels Kanaal hadden we hetzelfde lolletje. Daar begon een Engelse torpedojager nog voor dat hij zijn zoeklicht op ons had gericht een paar waarschuwingsschoten op ons af te geven. Het was alweer op mijn wacht maar de schrik was niet zo erg. Ik had de vuurdoop gehad! Zonder verder iets bijzonders, behalve dat we de Downs moesten aanlopen vervolgden we onze reis.

De Downs heeft in onze vaderlandse geschiedenis een vermaardheid wijl daar Tromp in 1639 een Spaanse Armada versloeg. In de vorige en deze oorlog is ze, de Downs, de gehele wereld bekend geworden doordat dit één van de examination plaatsen is waar Engeland alle schepen liet aanlopen ter onderzoek en de neutralen soms wekenlang ophield. Het is een mijlen lang en breed zeeoppervlakte aan de ene kant begrensd door de kust van Kent met het plaatsje Deal en aan de zeezijde beschermd door de uitgestrekte banken van de Goodwin Sands. Een goede en veilige reede waar ik wel eens over de 200 schepen heb zien ten anker liggen.

Zo kwamen we de Waterweg binnen en meerden we voor de Lloydkade. Al dadelijk kwam onze Nautische Inspectie aan boord met de mededeling dat een ieder van de opvarenden die dienstplichtig was onmiddellijk naar zijn mobilisatiestandplaats moest reizen. Er stond ook inderdaad in onze mobilisatieorder dat iedereen zich binnen 24 uur na binnenkomst moest melden. Maar ja ik wou toch nog wel eerst even naar huis. Ik woonde in Den Haag en ook lag daar mijn marinekooi en plunjezak. Echter geen denken aan; de treinen die reden waren alleen voor militair vervoer en auto's waren in die tijd eigenlijk nog witte raven. Zo pakte ik mijn koffertje met bullen en stapte naar het bootje voor Hellevoet, want Hellevoetsluis was mijn standplaats. Na een reis van 5 uur (het ging in dien tijd nog niet zo vlug en het Hellevoetsche bootje was bekend om zijn knusse trekschuitgemoedelijkheid) via Vlaardingen - Brielsche Maas en het eindeloze Voornsche Kanaal landde ik om 8 uur 's avonds in het mij wel bekende Hellevoet, waar ik 7 van de 8 maanden van mijn diensttijd in 1912 doorbracht.

O Hellevoetsluis, kalm klein stadje van vergane grootheid, ik zou van jou alleen wel een boekdeel vol kunnen schrijven.

Vroeger, in de zeiltijd, voorhaven van Rotterdam, waar al de zeilschepen binnen vielen en door paarden door het Voornsche Kanaal2 werden opgesleurd. Later, na het graven van de Nieuwe Waterweg3, van alle drukte beroofd, maar toch nog een sterke vesting, Marinehaven, conservatiewerf en loodsenstandplaats voor het District Zuid-Holland. Ook dit heb je allemaal moeten missen, als vesting geen waarde meer, het loodswezen naar Maassluis verplaatst, de marinebasis naar Vlissingen en de werf opgeheven. Ik ben er eenige jaren geleden nog eens geweest, maar herkende het niet meer. Absoluut dood! Van de oorspronkelijke burgers alleen nog maar de zoetwatervisschers overgebleven en verder bestaand uit kermisvolk, ketellappers, marschkramers, orgeldraaiers en dergelijken die voor ƒ1 á ƒ2 per week een paar royale kamers in de mooie, oude, maar verramponeerde particuliere huizen bewoonden. In 1914 floriseerde het echter nog. De Torpedodienst der Marine lag er, de opleiding der Marine Machinisten had er zijn school, de matrozen vrijwilligersopleiding, de Werf met zijn dok, alle loodsen (behalve van de loodskotters in het Engelsch Kanaal) moesten er wonen en een bataljon vestingtroepen en een afdeeling pontoniers waren er in garnizoen. Toen was er leven en verkeer genoeg.

Zo stapte ik dus uit als burger de valreep van het wachtschip op om me te melden en nam heel beleefd mijn (nieuw in Rotterdam gekocht) kaasbolletje af voor de schipper4 van den wacht die toevallig aan de valreep stond. En wie was me dat!! De mij zo welbekende schipper J... bijgenaamd de ‘Helhond’, de grote artiest in bulderen en schelden bij de hele Marine. Nou dat wou bij de marineschippers uit dien tijd heel wat zeggen! Men beweerde van hem dat zijn 1e officier eens tegen hem zei:

‘Schipper, schipper, wat kan jij toch schelden, waar heb je dat zo artistiek geleerd!’

Waarop hij prompt tot antwoord kreeg in Hoog Haarlemmerdijksch:

‘Geleerd Meheir, geleerd, zo ies kan je niet leren! Dat is een gave! Dat heb ik van mijn ouwe Ma (hij zei het eigenlijk iets anders) die was artiste bij Barnum en Bailey - de dikke dame!’

Nu daarvan had hij zijn facie en postuur ook zeker meegekregen. Zijn kop zou de romp van een Duitsche doghond geen oneer hebben aangedaan. Kort en gezet en één en al spieren. De verhalen van vechtpartijen in zijn jeugdige onbezonnen jaren, toen de waardigheid van schipper hem nog niet drukte, waren dan ook legio. Een van zijn geliefkoosde gezegde was:

‘En als jullie nou niet allemaal je snertklep op mekaar houwen, dan slaan ik jelui één voor één uit de lijken!’

(Lijken zijn de touwen die een zeil omzoomen en er omheen genaaid zijn) Het was een ruwe klant, maar toch niet zo beroerd als hij zich voordeed, rapportjes maakte hij zelden hij knapte het zelf op en als hij iemand uitgescholden had dan verafschuwde die zijn eigen voorouders en had diep medelijden met zijn toekomstig nageslacht.

‘Schipper, milicien 913, lichting 12, meldt zich.’

Zo stapte ik dus met dien woorden aan boord.

‘Zou, zou, meheir de milicien 913 komt zich melden! Wat bin je nou eigenlijk een meheir of een milicien!’

‘Allebei schipper!’

‘Dat bestaat niet. En trouwens "emfebieën" kennen we niet gebruiken. Waar binne je bullen.’

‘Nog thuis schipper, ik kom zoo van zee!’

‘Nou geef me dan maar je ‘sèlboekie’ en gaan naar de sersant-provoost en vraag of tie nog een arrestanten-kooi voor je heit. Hei je al geschaft?’

‘Ja, schipper ik heb mijn diner al gebruikt.’

‘Zou, zou, heit meheir al gedineerd! Hei jij in je 8 maanden nog niet geleird dat miliceins niet dineren maar schaften en dat allein maar goed kennen.’

‘Ja schipper, maar ik ben nog half meheir.’

‘Hou je smoel, anders slaan ik je uit de lijken en sodeju nou maar gauw op naar de sersant-provoost.’

Dat was mijn intreden op de Hr.Ms. Van Galen, het wachtschip in Hellevoetsluis. Kreeg van de sergeant-provoost die heelemaal onder in het schip bij de arrestanten en klassianen den wacht deed een kooi en kon mijn nieuwe omgeving eens opnemen. Nu leek het wel een bijenkorf, want we lagen daar met een 800 man, officieren en onderofficieren niet meegerekend. Die ouwe wachtschepen waren bakbeesten. Ouwe zeilfregatten geheel van zwaar eikenhout gemaakt met drie dekken, de tuigage was er natuurlijk af en het bovendek van een met houtenbekapping voorzien. De "Van Galen" was 80 jaar oud maar nog zoo gaaf alsof ze pas van de werf was afgelopen.

De officieren logeerden achter, de onderofficieren voor en zoo was de midscheeps, dat zowat de helft van de inhoud van het schip was, slechts voor de bemanning beschikbaar. Je hing dan ook als je je kooien (hangmatten) opgetuigd had, mannetje aan mannetje en de atmosfeer (vooral op Katjesdag d.i. betaaldag) was dikwijls om te snijden. De meeste jongens van mijn blikkie (d.i. de jongens van mijn lichting) vond ik weer terug en lag weldra tusschen mijn twee oude slaapies van een jaar geleden gezellig in mijn hangmat te schommelen en honderd uit te boomen. Volgende morgen 7 uur baksgewijs dan is `t aantreden voor appèl. En ben je ingedeeld in bakken die echter alleen bij appèl en het schaften een eenheid vormen. Ik en twee maats van me die in het zelfde geval verkeerden, maakten in burger een raar hiaat in die lange rij matrozen.

De Helhond had weldra kort en krachtig zijn 800 mannetjes ingedeeld en bleven alleen nog maar de drie emfebieën over.

‘Nouw gaan jellui maar jellui bullen zoeken en gaan maar kijken of ze niet met het baakje of de tram binnen aangekomen.’

Nou dat hebben we uitgebuit: 10 dagen lang hebben we van 7 tot half 12 en van 1 tot 5 onze plunjezakken gezocht, terwijl ze al een week lang onder de zorgen van de walknecht van het bootje waren opgeborgen. Dat was een ouwe kennis en een guldentje van ieder was een mooi bewaar loon. Het kon echter niet ter eeuwige dagen duren en op een gegeven morgen donderde de schipper:

‘Hé jullie drie emfebieën daar. Jullie bullen liggen in de kombuis. Je als de weerlicht verkleejen en als jullie er weer als menschelijke miliciens uitziet -- het galjoen schoonmaken.’

Hoe hij er achter gekomen was, mag Joost weten, maar hij had onze bullen te pakken en iedere dag een week lang was het "emfibieën" het galjoen schoonmaken. Nu was dit echter geen kwaad baantje. We schrobden even het vlotje schoon 's morgens en de rest van de dag stond je met een zwabber in je hand voor de verantwoording, lekkertjes niks te doen. Verder was die lange galerij het vergader en clublocaal van alle lijntrekkers en dat waren er 799 van de 800 man. De mooiste avonturen en de verschrikkelijkste verhalen kon je daar op het galjoen hooren en ik heb in die week heel wat levenswijsheid opgedaan.

Schorpioen
Ramtorenschip Schorpioen, vm Rijkswerf Willemsoord, Den Helder (Marinemuseum). Foto in publiek domein, gebruik vrijgegeven.

Na een week was het echter afgelopen en kwam de order dat de mijnenleggers naar de Schorpioen, het wachtschip van de Torpedodienst5, werden overgeplaatst! Dit was een veel kleiner scheepje, nog een oude ramtorenschuit, slechts 50 jaar oud en het eerste van ijzer gemaakte Nederlandse marineschip. De inrichting was behoorlijk en gelukkig meer ruimte. Het lag midden in de stad in het haventje en de pantoffelparade ging rakelings aan onze valreep aan ons voorbij, wat ons miliciens helemaal niet onwelkom was. Als je op wacht bij de valreep stond had je geen ogen genoeg om de knipoogjes van al de schoonen van Hellevoetsluis te beantwoorden. Ja als miliciens had je in Hellevoet een bevoorrechte positie, vooral als ze wisten dat je stuurman bij een groote Maatschappij was. Zoo een visschje aan de haak te slaan, was de hoogste aspiratie van menige Hellevoetsche schoone. Dat waren miliciens met vooruitzichten! Een gewone matroos, mocht nog zoo veel belovend zijn en hij zou het misschien wel tot schipper kunnen brengen, maar een officier van de koopvaardij dat was het "summa summarum". Het was dus oppassen geblazen om niet gestrikt te worden.

Toen ik mijn eerste 8 maanden daar diende, was ik op de mijnenlegger de Hydra met twee van mijn ex-studiemakkers van de zeevaartschool en we vormden een edel klaverblad van drie. Spoedig hadden we het vaste verkeringsgevaar in Hellevoetsluis door en verschansten ons in den lunchroom op de Brielschestraatweg. De "Rust wat", door ons spoedig herdoopt in "De drie Kaddetjes". Dat werd ons stamlokaal en we hadden het er best. De baas zag je nooit want die reisde met een bioscoop, die toen noch in haar kinderschoenen stond, de Zuid-Hollandse eilanden af en gaf iedere dag ergens anders 's avonds een voorstelling. Ma was een best wijf. Een gezellige dikke schommelende matrone, altijd in haar humeur, altijd bereid om een visschje te bakken of een frokkie te herstellen, maar toch om de dooie dood niet voor de poes. En dan de drie schatten van dochters 19, 20 en 22 jaar. Brave meisjes die ons die 8 maanden trouw gezelschap hebben gehouden, echte hartelijke kinderen waar we veel onschuldig plezier mee hebben gehad. Het eten en drinken was er best en niet te duur, het zakie altijd lekker warm en gezellig, wij waren er de favorieten en niets zou aan ons geluk ontbroken hebben als er niet was geweest het acht jarig broertje Keesie. Dat was een onuitstaanbare drein en zoodra één van de drie miliciens maar even wat te vertrouwelijk werd met één der zusters dan holde Keesie naar binnen en verscheen Ma weldra in de deur opening van de huiskamer. Dat krengetje is beslist later een rechercheur geworden.

Toen we afzwaaiden hadden de lieve kinderen met tranen van ons afscheid genomen en moesten we beloven uit die verre streken waar we weldra naar toe zouden varen veel, heel veel te schrijven! Wat we dan ook trouw deden. Het beloven meen ik, want toen het klaverblad der miliciens zich weer vereenigd had in de mobilisatie bleek het dat ieder slechts één ansichtkaart had gestuurd. Één uit New York, één uit Batavia en één uit Buenos Aires. We hadden toch de heele wereld aan hun voetjes neergelegd. Toen we dus weer in de mobilisatie terugkwamen wilden we ons weer graag in dat gezellige vertrouwde bolwerk terugtrekken, maar we geneerden ons toch wel een beetje dat we zoo schamel onze schrijfbeloften waren nagekomen. Enfin we stapten er weer moedig op af en werden door Ma en de drie zusjes met open armen ontvangen. We kregen natuurlijk wel hevige verwijten dat we zoo slecht geschreven hadden en we putten ons uit in veel verontschuldigingen en verhalen waaruit duidelijk bewezen moest worden dat het onmogelijk was geweest om te schrijven.

Hr.Ms. Hydra
Hydra, ca 1920. Foto in publiek domein. Gebruik vrijgegeven.

Mijn excuus was dat we in al die reizen geen enkele inktvisch hadden gevangen en hoe kon je nou een brief schrijven zonder inkt! Ja dat begrepen ze volkomen maar het was toch wel ondoordacht om op zoo'n lange reis geen fleschje inkt medetenemen en als we weer naar zee moesten dan kreeg ik van Jetje een fleschje inkt mee, van haar eigen spaarcentjes gekocht!

Zoo waren we dus weer in volle genade aangenomen. Maar toch was de lunchroom niet meer dàt wat het geweest was. Er lag namelijk in Nieuw Hellevoet, een half uurtje loopen daar vandaar, een bataillon grenadiers en een bataillon landweer. De zaak bloeide er door maar die knusse huiselijke gezelligheid was eraf. Het was er `s avonds of vol met mannen met baarden of met Haègsche jongelui in het kleurige grenadiers uniform. Ja we zijn er wel altijd favoriet gebleven, maar er was veel te veel concurrentie, er waren bij de grenadiers ook een hoop jongens met vooruitzichten. We kwamen er nog wel dikwijls, maar toch niet meer als vaste klanten waarnaar tusschen 6 en 7 `s avonds drie blonde kopjes over de gordijntjes van het brede raam met verlangen stonden uit te kijken.

Vier maanden zaten we op de Schorpioen en we hadden het er best. Aan spie ontbrak het ons niet, we waren in Hellevoet gekomen met een ongerepte dikke afmonstering in ons zak en bovendien kregen we per week een tractement van f 3,50 wat vergeleken met ons katje van 40 cent van onze 8 maanden diensttijd een kapitaal was. Dat zat zoo in elkaar. Als je in dienst kwam, moest je eerst je kooigoed en plunje afbetalen van je tractement. Die kosten een kleine honderd gulden, dus alleen de laatste 14 dagen van die 8 maanden kreeg je je volle katje.

Over ons werk op de Schorpioen hadden we heelemaal niet te klagen. We waren met zijn zessen, allen miliciens, ingedeeld bij het mijnenmagazijn, waar naar toe alle Hollandse mijnen die een paar maanden te water hadden gelegen, na gelicht te zijn, werden opgezonden om te worden gedemonteerd, schoongemaakt, gepoetst en opnieuw te worden geschilderd. Het magazijn lag een 20 minuten loopens van de Schorpioen af en 's morgens na baksgewijs slenterden we er onder leiding van de oudste der miliciens op ons dooie gemak naar toe. Tot 11 uur een beetje schrobben, poetsen en schilderen en dan weer op ons dooie gemak terug, even aanleggende in een café in het Kerkstraatje om een borreltje of een glaasje bier te pakken om de eetlust op te wekken. Om 1 uur hetzelfde wandelingetje en om half 5 weer terug. Het was een job om bij oud te worden. En zoo verliepen de maanden.

Eerst had een ieder geschreeuwd:

‘O, met Kerstmis zijn we al lang weer thuis!’

Maar het was Kerstmis geworden, de groote moordpartij was begonnen en was nog steeds aan de gang, werd steeds vreeslijker en wij nog steeds gemobiliseerd. Wat ons echter nog het meest ergerde, was dat de meeste andere miliciens die als stuurman hadden gevaren door hun diverse Maatschappijen waren teruggevraagd en weer in de vaart waren. Waarom moesten wij dan hier blijven verzuren! De oplossing was eenvoudig. Toen ik met 24 uur verlof zijnde er eens met onze Inspecteur over ging praten hoorde ik dat hij het al 3x voor me aangevraagd had, maar daar ik tot de mijnenleggers behoorde en van dit soort nog niet voldoende afgericht personeel bestond, was het verzoek steeds geweigerd. Een hoopelooze toestand, temeer daar onze afmonstering waar we royaal van hadden geleefd in de hoop en het vaste vertrouwen dat het niet zoo lang zou duren ook al leelijk begon te slinken.

Toen kwam er nog erger. Er werd een nieuwe mijnenlegger de Triton, een omgebouwde vischtrawler in dienst gesteld en tot de bemanning werd het edele klavertje van drie ook aangewezen. Weg reuzenleventje! Het werd sjappelen geblazen. Eerst het nieuwe schip uitrusten en dan kregen we als standplaats Vlissingen. Het schip zelf viel ook niet mee. Logies voor 60 man in het vroegere vischbergplaatsruim, bekrompen en donker en de geur van zeebanket er niet uit te krijgen. Nu ruikt een gebakken vischje wel lekker maar om dag en nacht in een lucht van eens versch gewezen visch te verblijven is niet zoo lollig. Het afscheid uit 'de Drie Kadetjes' was niet zoo hardroerend meer als de eerste keer en ik kreeg niet eens mijn beloofde fleschje inkt mee, want in Vlissingen was inkt genoeg te krijgen zei Jetje!

Zoo stoomden we op een stormachtige morgen het Haringvliet af en door het Bokkegat naar buiten. Op het Haringvliet begon de schuit al raar te doen, in het Bokkegat steigerde die als een paard en toen we buiten de banken waren had hij de gecombineerde beweging van een onwillige muilezel, een steigerend paard en een op hol geslagen kameel. Foei, wat ging die schuit te keer. We voelden ons geen van allen echt lekker. Zelfs de commandant, een Luitenant ter zee 1e klas en de schipper waren bleek om hun neus: de twee luiten ter zee 2e waren beklagenswaardige ridders van de droevige figuur geworden en meer dan de helft van de bemanning lag voor mirakel.

Nu hoeft U zich daar niet zoo erg over te verwonderen, want de bewegingen van de trawler is heel wat anders dan bij slecht weer het stampen en slingeren van een groot schip en je moet er eerst aan wennen. Een visscherman trekt zich daar niets meer van aan, maar zet hem eens op een groot zwaarmoedig stampend schip bij slecht weer, dan voelt hij zich de eerste uren ook meest niet gelukkig. Nu verkeerde 'De Triton' ook in een heele ongunstige positie met zijn mijnruimen afgeladen met drie zware bloembollen, zoo wreed als je een schip maar kan maken. Een gedeelte der bemanning knapte na een paar uurtjes weer op, na hun magen bevrijd te hebben van het overvloedige bier dat de vorige avond op het afscheid in Hellevoetsluis geconsumeerd was.

Het in de grond schieten van een paar drijvende mijnen met onze twee popperige 3,7 kannonetjes bracht nog wat leven in de brouwerij en daar we geen van allen nog ooit een mijn hadden zien ontploffen stonden we verstomd van de enorme kracht die ze ontketenden en de geweldige waterzuilen die ze opwierpen. Gelukkig maar dat 7 man van de bemanning niet wisten dat ze door zoo'n waterzuil de lucht zouden worden ingeslingerd en er het leven door zouden verliezen.

Zoo kwamen we om een uur of vier al tegen donker worden in Vlissingen aan en daar wij drietjes niet de wacht hadden, stiefelden we al gauw de stad in om ons nieuw territorium te verkennen. Nou vergeleken met Hellevoet leek het wel een wereldstad, trots dat 't winterdag was en dus boulevard en strand eenzaam en verlaten waren. Spoedig hadden we diverse leden van de broederschap der zee ontdekt die daar op de zeevaartschool voor een examen aan het studeren waren en bouwden al luchtkastelen over de reuzentijd die we in Vlissingen zouden hebben. Er is weinig van uitgekomen want eens in de twee weeken kwamen we slechts 1 dag in Vlissingen om onze opgevischte mijnen door versche te vervangen en de rest van den tijd waren we in de Wielingen bezig mijnversperringen te lichten, versche te leggen of het mijnenveld te bewaken.

U zult vragen waar dat verwisselen van mijnen in een mijnenveld toe dient. Ik zal U eerst even een beschrijving geven van de toenmalige zeemijn, die tegenwoordig ook nog wel net zoo of iets veranderd gebruikt wordt. De zeemijn bestaat dan uit 2 hoofdonderdelen, het anker en het eigenlijke mijnlichaam. Het anker heeft de vorm van een afgeknotte pyramide, terwijl de mijn zelf een zuivere bol vorm heeft. Deze twee deelen zijn verbonden door een staalen draad de zgn mijnankerdraad. Deze draad is op een rol in het ankerlichaam opgerold en kunnen we met een ingenieuse inrichting afstellen, zoo dat, als we den diepgang van het water dat we versperren kennen, de mijnbollen op de gewenschte diepte onder het wateroppervlakte kunnen gelegd worden. Het ronde lichaam van de mijnbol heeft aan de kop een zware ronde rubber klep, waaraan inwendig de afvuurinrichting is verbonden. Ligt de mijn nu onderwater dan wordt door de druk van de waterkolom die rubber klep naar beneden gedrukt en wordt de afvuurinrichting vrijgemaakt. De mijn is actief. Boven water wordt de afvuurinrichting vastgehouden en is de mijn onschadelijk (in theorie).

De lading van zoo'n bloembol bestaat uit 100 kg nat schietkatoen, 10 kg droogschietkatoen en wat slagkwik. De mijnankers liggen in het water in series aan een zware staaldraad de zgn seriekabel die op de bodem vast ligt. De procedure van versperring leggen is als volgt. Het anker van de seriekabel wordt uitgeworpen. Het schip stoomt heel langzaam vooruit terwijl de seriekabel die op de trommel van een groote winch zit, wordt bijgevierd. De mijnen staan op rails op het achterschip en nu wordt de seriekabel bij het uitstoomen aan ieder mijnanker vastgemaakt door hem in de seriekabelankerklem aan het ankerlichaam te wippen en van de rails af in zee te rijden. Daar er in de seriekabel op 25 m afstand knoopen zijn gesplitst, kunnen we daardoor de afstand van de mijnen onderling regelen.

Nu zult U vragen:

‘Kan die rubberklep nu toch niet naar beneden worden gedrukt door de hevige schok die veroorzaakt wordt als men de mijn met anker die samen 300 kg wegen, van een hoogte van meer dan 1 m en met vrij veel vaart in het water gooit.’

Dit wordt echter door een klein slimmigheidje ondervangen. De rubberklep wordt door een staaldraadje dat door een beugel op de top van de mijn loopt opgehouden en staaldraadje en beugel zijn met elkaar verbonden door een zoutpen. Ligt de mijn dus een kwartiertje in het water dan is de zoutpen gesmolten en de rubberklep wordt dan pas ingedrukt.

Het lichten van een versperring gaat als volgt. Men begint met het anker van de seriekabel op te dreggen, wat een heidensch werk is en men moet er soms wel vier, vijfmaal overheenvaren voor men het te pakken heeft en opgedregd, daarbij vooral zorgdragend dat men niet over zijn eigen versperring stoomt of drijft. De mijnen kennen geen nationaliteit en je zou door je eigen versperring de lucht invliegen, hetwelk meer dan eens is voorgekomen. Heeft men het ankertje met de seriekabel te pakken dan wordt die op de trommel van een krachtige stoomwinch vastgemaakt en langzaam ingehieuwd. Weldra verschijnt het eerste afgeknottepyramideachtige anker van een mijn, dat achter één der knoopen in de seriekabel is blijven hangen. Dit wordt aan boord gehieuwd en eenige meters daar achter zien we op het wateroppervlakte de mijnbol (met zijn ankerkabel aan het mijnanker bevestigd) bovendrijven. De rubberklep moet dus, daar er geen waterdruk meer boven staat zijn opgekomen, de afvuurinrichting buiten werking zijn gesteld en de mijn onschadelijk zijn. Maar helaas komt dat niet altijd uit. In onze zeegaten zijn vele mosselen en vooral in de lente zetten de kleine mosseltjes zich vast op de rubberklep, groeien en ....... groeien de rubberklep vast. Nu is de mijn nog wel actief als hij bovenkomt. Daarom moesten die versperringen geregeld ververscht worden.

Het veegen van mijnen, dat door den vijand gedaan moet worden als ze een mijnversperring wil opruimen, gaat anders in zijn werk. Dat doet men door middel van paravanen. Een paravaan heeft een torpedovormig lichaam en is voorzien van twee vleugels, een roer, een hoogteroer en twee scherpe messen die als een schaar werken. Aan ieder zijde van het schip dat ze vaart, hetzij koopvaardijschip-oorlogschip of mijnenveger wordt dan een paravaan door het water gesleept en wel op een diepte die men vooraf door het hoogteroertje kan afstellen. De kabels waaraan ze mede gesleept worden zijn aan de boeg van het schip zoo diep als mogelijk onder water vastgemaakt. We hebben dus aan weerszijde van het schip een staaldraad harp stijf staande, loopende naar een punt ongeveer 50 m dwars op de vaarrichting en op een diepte als waarop we onze paravanen hebben afgesteld. Iedere vertikale ankerkabel van een mijn in dat pad wordt dus met groote snelheid naar het laagste punt van de kabel, dat is de paravaan, getrokken, komt in haar schaar en wordt doorgeknipt of het een garentje is. Nu komt de mijn bovendrijven en is ongevaarlijk. Ze kan dan door geweervuur in de grond worden geschoten. Zoo wordt er een pad geveegd dat vrij van mijnen is tot op een diepte als waarop onze paravanen waren afgesteld.

De Triton lichtte en verwisselde slechts de mijnen, dus veegde ze niet. We hadden ook een stoomsloep aan boord die naar iedere mijn als ze aan het oppervlakte kwam heen stoomde en de klep werd bekeken of ze opgekomen was vóór de mijnbol aan boord werd genomen. Was ze niet opgekomen dan werd de klep aan het staaldraadje opgetrokken en aan de beugel vastgemaakt. Dat lollige baantje was mij toebedeeld, ik was vaste haak vóór op de stoomsloep behalve één week in de vierweeken als ik zeuntje, d.i. zoo veel als Hofmeester van onze bak was en ik had daar altijd een reuzen hekel aan.

Zoo hadden we al twee maandenlang de ene versperring na de andere gelicht en nieuwe gelegd. Alles was goed gegaan en de eentoonigheid werd alleen verbroken door één keer 24 uur verlof in de 10 dagen. Ik was net van mijn 24 uur verlof terug en viel met mijn neus in de boter. Die week was ik zeuntje. De volgende morgen weer een versperring lichten en mijn plaatsvervanger was een matroos 2e klasse. We hadden twee mijnen aan boord toen de stoomsloep het sein gaf: de vierde onklaar. We zagen de stoomsloep er naar toe stoomen, mijn plaatsvervanger zich op het voorplechtje uitstrekken en naar de mijn grijpen en toen plotseling een hevige knal en een huizenhooge waterzuil waarin de stoomsloep van ettelijke tonnen gewicht als een balletje werd omhooggeslingerd. Even daarna kwamen menschelijke overblijfselen en brokken van de sloep weer in zee terecht. 7 Man hadden het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. De vlet ging oogenblikkelijk te water maar zelfs de menschelijke overblijfselen die nog opgevischt werden waren zeer gering en vreeselijk om aan te zien.

De volgende morgen werden we door een andere mijnenlegger afgelost en stoomden we met onze droeve last met de vlag halfstok naar Vlissingen, waar eenige dagen later de laatste eer aan de overblijfselen van onze kameraden werd bewezen. Ik heb nooit meer gekankerd als ik zeuntje moest zijn. De gehele bemanning kreeg een week verlof, wat we wel noodig hadden, want een ieder was diep geschokt door de treurige ramp. Toen we van verlof terugkwamen werden we naar Rilland-Bath het grensplaatsje aan de Schelde bij den Belgische grens op station gesteld. We hadden er niets te doen, lagen daar slechts klaar om op het eerste bevel de Schelde dáár met mijnen te versperren. Stom vervelend en slechts eens in de drie dagen passagieren. Ook het passagieren werd spoedig opgeheven.

We lagen midden in het boerenland en bijna een uur tippelen naar het dorpje Rilland wat ook niets was en door een bataillon infanterie, van ik meen het 14e, allemaal Friezen, werd onveilig gemaakt. In de twee eenigste kroegen die er waren kon je pas na een halve veldslag een glaasje bier machtig worden. Nee, die plaatsing beviel het klaverblad in het geheel niet, maar er deed zich een kans voor. Er werden namelijk miliciens gevraagd voor opleiding seiner D.T.(draadloze telegrafie), op de marinewerf in Amsterdam gevestigd. Dat was iets voor ons. Tenminste om naar Amsterdam te komen, om die opleiding te volgen en vooral om die te voleinden daar voelden we niets voor. We wisten en hadden al ondervonden dat voor special opgeleidenen weinig kans was om er uit te komen. Enfin, we dienden een verzoek in, het werd toegestaan en op een zekere dag tippelden we met ons drieën, kooi en plunjezak op ons nek langs de eindelooze Straatweg naar het stationnetje Rilland-Bath op weg naar Amsterdam.

Daar aangekomen naar de marinewerf, waar we in een mooie ruime loods met een 50 aspirant-seiners werden opgeslagen. Wat hebben we daar een prachttijd 14 dagen lang gehad. Gedaan werd er niets en we zwierven dag en een groot deel van de nacht langs de Amsterdamsche grachten en 's Heeren wegen. Onze bij in dienst komen zoo vette afmonstering kreeg daar zijn laatste nekslag en de rest van onze diensttijd moesten we dan ook maar toekomen met onze 3 1/2 guldentje per week. Maar we hebben er nooit om getreurd, die centen waren toen in onze oogen welbesteed.

Na 14 dagen kregen we "toelatingsexamen". Nu moeten we oppassen, want hoe best we het hier ook hadden, seiner wilden we niet worden. We waren dan ook zóó zeldzaam stom, vooral in rekenen en Nederlandsche taal en van morsetekens wisten we helemaal niets af zodat we met glans straalden en een paar dagen later op transport gingen naar het goede ouwe Hellevoet. Voor een guldentje werd de schrijver verleid om zich een dag in de datum der reisorder te vergissen zoodat we zonder gevaar er 2 × 24 uur van konden genieten.

Zoo kwamen we weer in Juli [19]15 in Hellevoet op de Schorpioen terug en weer te werk gesteld in het mijnenmagazijn. Het was er daar niet op verbeterd, we werkten er nu met 20 man die 2 × per dag onder geleide van een korporaal der mariniers er naar toe marcheerden. Geen glaasje bier meer te pikken onderweg en de goede ouwe gepensioneerde schipper die beheerder van het magazijn was, werd nu geassisteerd door 4 korporaals torpedomakers, die ons achter de vodden zaten. Het heerlijke lijntrekken en soms urenlang lekker in het groene gras van de dijk rond het magazijn liggen was afgeloopen ook de geneugten van de lunchroom De Drie Kadetjes waren zeer verminderd. Grenadiers en landweermannen voerden er de boventoon en alle drie de zusjes hadden "vaste verkering" met een "Haagsche grenadier". We treurden er echter niet om want die bijna twee jaren pikker zijn hadden ons wel geleerd ons overal thuis te voelen en we waren overal welkom ook al vanwegens de goede vooruitzichten. Zo scharelden we nog een paar maanden door tot eindelijk de groote dag voor mij kwam.

Op een goeden dag moest Nr. 913 op het commandement komen, waar hem werd medegedeeld dat op een verzoek der Directie van de Rotterdamsche Lloyd om bovengenoemd milicien voorloopig van militaire dienst vrij te stellen om een reis als 3e officier te gaan maken op één harer schepen door den Minister van Marine "goedgunstig was beschikt". Hoerrah, dag maats met 16 letters, bonjour Jan Kaas. We gaan weer varen. 22 Maanden alles met elkaar in landsdienst was mooi genoeg! Den volgenden middag zat ik weer op het bootje naar Vlaardingen, uitgeleide gedaan door mijn droevig gestemde maats die niet zoo gelukkig waren. Enfin, lang hebben ze niet behoeven te treuren, want 14 dagen daarna konden zij het pikkerspakkie voor het officiersuniform van hun Mij. verruilen. Zoo eindigde op 17 Sept 1915 mijn Marineloopbaan en nam ik afscheid van het goede ouwe Hellevoet om het pas na een 20 jaar weer eens terug te zien in de deplorabele toestand die ik U boven reeds beschreven heb.

Een week daarna stoomde ik de Waterweg uit om voor het vaderland een zeker even nuttig, voor mij veel aangenamer en voordeeliger maar in dien tijd even gevaarlijk werk te gaan verrichten. Ja mijne Heeren, ik zou U nog wel, zooals eerst mijn bedoeling lag mijn belevenissen op zee in de vorige oorlog willen vertellen, maar ik heb zoo doorgezaagd op mijn mobilisatietijd dat het veel te lang zou worden. Gaarne zal ik het een volgende keer doen, ...als ik er tenminste papier voor op den kop kan tikken. Vriendelijk verzoek ik degeenen die nog een velletje te missen hebben het te willen doen toekomen aan ere-milicien Nr 913 der Koninklijke Nederlandse Marine, nu Nr. 55 der heelaas (maar tijdelijke) Nipponsche Benting.

Ik dank U voor Uw aandacht!

Noten

1
De eigenlijke titel spreekt van de ‘vorige’, om verwarring te voorkomen is gekozen voor ‘Eerste’. Terug
2
Gegraven in 1830. Terug
3
Gegraven in 1872. Terug
4
Schipper, bij de marine de aanspreektitel voor een sergeant-majoor van de nautische dienst. Terug
5
De Mijnendienst maakte aanvankelijk onderdeel uit van de Torpedodienst. Terug