fer.stutterheim.nl

© 1998-2019 Ferdi Stutterheim

stutterheim.nl


Inleiding

m.s. Bengalen (1933), Photograph by Walter E. Frost
m.s. ‘Bengalen’ in 1933. Foto Walter E. Frost 1. Collectie: City of Vancouver Archives. Foto in publieke domein.

Het volgende verslag van de ondergang van het m.s. ‘Bengalen’ van de ‘Rotterdamsche Lloyd’ is onderdeel van een brief van de gezagvoerder, D.F. Stutterheim, aan zijn vrouw Louise Auguste Stutterheim-Wessel. De brief, die op 22 maart 1942 in Djokjakarta is geschreven, werd volgens een notitie op de brief in 1946 ontvangen in Den Haag door de moeder van de schrijver, mevr. A. Stutterheim-Ubbens en zijn zuster Nan Stutterheim. De laatste halve bladzijde van de brief is verloren gegaan, vandaar het abrupte einde.

Uit het relaas kan met enig rekenwerk worden afgeleid dat de vernietiging van de koopvaardijvloot in de haven en op de rede van Tjandjong Perak plaats vond aan het eind van de middag op zondag 1 maart 1942. Het betreft hier kennelijk een reconstructie die de schrijver op 22 maart 1942 uit het hoofd heeft gemaakt en hij moet zich toen al in de datum hebben vergist. Officiƫle bronnen spreken van 2 maart. De grote vernielingen op het Marine Etablissement Oetjoeng (M.E.) begonnen op 2 maart om 11 uur. Het is een intrigerend verschil in datum. Opvallend is wel dat grootvader schrijft dat ze tenslotte met de bus van de vernielingsploeg (van de marine) terug reden van het in lichterlaaie staande M.E. naar Soerabaja. De gebeurtenissen spelen zich kennelijk op de zelfde dag af, maar op welke datum? Documenten die in het bezit zijn van de familie Stutterheim scheppen aanvankelijk verdere verwarring maar uiteindelijk duidelijkheid. Ze verklaren alleen niet hoe het verschil in datum is ontstaan.

In december 1945 legt D.F. bij de havenmeester van Batavia een z.g. scheepsverklaring af waarin hij ook de datum van 1 maart 1942 noemt voor de ondergang van zijn schip. Die verklaring riep kennelijk vragen op, op het hoofdkantoor van de Lloyd in Rotterdam, want hij kreeg een brief met het verzoek om nadere verduidelijking.

Daarmee was de verwarring compleet, tot een document uit 1946 opdook dat de datum van 2 maart 1942 vermeldt en waarin hij zijn eerdere scheepsverklaring op dit punt herroept. Het betreft een notariƫle akte met daarin de gezamenlijke verklaring van de gezagvoerder, D.F., en de eerste officier, de heer Bubberman, waarin zij de datum van 2 maart 1942 noemen. Enige verklaring voor de correctie wordt niet gegeven.

Het boek “Varen in oorlogstijd” bevat een paragraaf “Soerabaja brandt”2 met het uitgebreide ooggetuige verslag van de heer Bubberman over de gebeurtenissen. Uit de brief van opa en uit de verklaring van de heer Bubberman wordt duidelijk dat de koopvaardijschepen al geruime tijd in Tandjong Perak lagen. De schepen waren gevorderd door het gouvernement en vielen onder bevel van de Gouvernements Marine. Het lossen van de vele schepen verliep uiterst moeizaam. Hiertoe werden z.g. ‘gangs’ uit de locale bevolking ingezet. Deze waren door de dagelijkse bombardementen niet meer beschikbaar. Nog niet alle lading van de ‘Bengalen’ was gelost. Wel was de militaire lading 's nachts na aankomst gelost op de Holland Pier. Het schip was daarna verlegd naar de Rotterdamkade naar het etablissement van de S.M.N. Na 24 februari werd het schip uit veiligheidsoverwegingen verlegd naar de rede. Van af die plek kon niet worden gelost. Kennelijk zag men nog mogelijkheden het lossen te hervatten. Dit terwijl de Japanse vloot steeds dichter naderde, waardoor de tijd voor een veilig vertrek van de schepen verstreek. Pas toen het naar alle redelijke maatstaven te laat was, d.w.z. na de Slag in de Javazee, werd op 1 maart 's avonds order tot vertrek, dan wel vernieling gegeven. Door gebrek aan bemanning was vertrek echter niet meer mogelijk. Alleen de officieren waren Europees; de rest van de bemanning was grotendeels van Aziatische herkomst en die laatsten zagen onder de gegeven omstandigheden begrijpelijkerwijs niets in uitvaren. Afgezien van het probleem t.a.v. de bemanning was de kans om een veilige haven te bereiken toen al uiterst klein. De gang van zaken verklaart deels het negatieve sentiment van de briefschrijver jegens de Marineleiding. Hij laat niet na op te merken dat, terwijl de gehele koopvaardijvloot er nog lag en niet weg mocht, de staf van de Marine al grotendeels vertrokken was. De eerlijkheid gebied te vermelden dat hij voor die tijd ook al niet al te veel op had met de Marine. Aan het begin van de avond van 2 maart 1942 is het schip voor de kust van het eiland Madoera, bij het baken van Pisang, door mijn grootvader tot zinken gebracht met een vernielingsbom.

Teneinde de leesbaarheid te vergroten, heb ik de brief opnieuw ingedeeld in alinea's. Daarnaast is op enkele plaatsen een leesteken toegevoegd en zijn waar mogelijk de data ingevoegd tussen [ ]. Dit zijn de data die de schrijver toen voor ogen stonden en die dus naderhand onjuist bleken te zijn. Uitzondering is de datum 24-02-1942, die bekend is voor de treffers op de ‘Kota Radja’. Afgekorte woorden en plaatsnamen zijn nu voluit geschreven, behalve in die gevallen waarin de verkorte naam algemeen bekend is zoals b.v. Djokja voor Djokjakarta. Voor de plaatsnamen is de oude Nederlandse spelling behouden. Enkele genoemde plaatsnamen zijn nu niet terug te vinden. Het handschrift is soms moeilijk leesbaar, daardoor zijn met name hier spelfouten mogelijk. Hier wordt nog aan gewerkt.
Momenteel werken enkele minder belangrijke links in de brief niet: de referenties bleken onjuist en ik beschik nog niet over de juiste gegevens, maar hoop die alsnog te vinden.

Noten

[1]
Walter Frost werd geboren in Vancouver in 1898. Na de eerste wereldoorlog kocht hij een Kodak rolfilmcamera en begon zijn stad te fotograferen alsmede de schepen en treinen die de levensader vormen. Hij was een fervent amateur fotograaf, geïnteresseerd in schepen, treinen en de stad Vancouver (Canada). Hij stopte met fotograferen in het midden van de jaren zeventig. Hij stierf in 1988. (Tekst ontleent aan C.V.A.) Terug
[2]
S.J. Graaf van Limburg Stirum: “Varen in oorlogstijd” (de lotgevallen van de Nederlandsche koopvaardij in den tweeden wereldoorlog). De Webmaster beschikt over de tekst. Deze is te lang om hier als citaat weer te geven en is daarom niet via deze website te raadplegen. Hoewel de toenmalige uitgever bekend is, is het ondoenlijk uit te zoeken wie nu rechthebbende is op het auteursrecht. Terug